Ik wil bezig zijn met dingen waar mensen wakker van liggen

Ik wil bezig zijn met dingen waar mensen wakker van liggen’ hiermee opende Cor ons gesprek op een donkere dinsdagavond begin maart. Alles wat volgde had dezelfde oprechte lading en warme gloed. Hier sprak iemand met een blauw hart op zijn tong, die zijn persoonlijke verhaal wilde delen en ik mocht er naar luisteren. Wat een weelde! Bij het schijnsel van twee waxinelichtjes hield mijn pen niet op met schrijven toen Cor mij bijna twee uur hartstochtelijk meenam in zijn levenswerk. De avond werd een unieke ervaring: voor het eerst in mijn leven beleefde ik een volledige stroomuitval in de kop van Noord Holland én sprak ik in een steeds kouder voelend huis iemand van de politie die recht uit zijn hart vertelde over zijn roerige vak. Van binnen kreeg ik het warm.

Buitenstaander ben ik en juist daarom werd ik uitgenodigd in briefvorm te reflecteren op de vraag ‘wat voor politie gun jij jezelf, de mensen om je heen en de politie organisatie?’ Tijd om na te denken nam ik niet. Na een spontaan ‘ja’ bekroop mij wel twijfel want ‘wat wist ik nu eigenlijk van de politie?’ Ik had wel eens een bekeuring gehad voor fietsen door rood, maar daar hield het snel mee op. Voor kennismaking met het blauwe hart moest ik op zoek in mijn eigen omgeving en zo kwam ik via een ex-buurman in contact met Cor. Dat was fijn want van de politie zelf weet ik niet meer dan wat ik via allerlei media meekrijg. Dat beeld blijkt nogal eenzijdig. Daar kom je pas écht achter als je persoonlijk aanklopt en zonder vooroordeel en vooropgezet vragenlijstje een open dialoog aangaat. Van hart tot hart gebeuren de mooiste dingen, zo ook in mijn ontmoeting met Cor. ‘Wat voor politie gunnen wij onszelf’ is een vraag die hem dagelijks bezighoudt. Mijn brief richt ik daarom aan hem omdat zijn verhaal Cor en mij verbindt met iets groters.

Beste Cor,
‘Er zijn mensen die zo’n ingewikkeld leven hebben, dat het bovenmenselijk gedrag van hen vraagt om dat zonder kleerscheuren te doorstaan’. Deze uitspraak van jou blijft maar resoneren in mijn gedachten sinds wij elkaar spraken. Om te begrijpen wat je zegt probeer ik mij er iemand bij voor te stellen die door omstandigheden over de schreef is gegaan en daar door de politie op aangesproken wordt, beboet misschien of zelfs in hechtenis genomen omdat er (vermoedelijk) een daad is gepleegd die volstrekt ontoelaatbaar was. Om nog beter te voelen hoe dat is, verbeeld ik mij dat mij zoiets overkomt. Jij zegt, ‘ik vraag mij bij elk incident telkens af welk mens schuilt hier achter?’ Dat vind ik een waardevolle vraag omdat het moed van je vergt. Moed om je niet enkel te verschuilen achter daad en strafmaat of de letter van de wet.

In jouw verhaal maak je duidelijk dat het jou niet gaat om het klakkeloos toepassen van een repertoire van gedragscorrecties op een ‘geval’. Je wilt onderdeel zijn van een oplossing en daarom maak je in je hart plaats voor compassie. Ook als iemand verdacht wordt van een gruwelijk feit waarbij je meer moeite moet doen om die compassie bij jezelf op te roepen. Ook dan probeer je mensen die een misstap hebben begaan te overtuigen dat een volgende keer ‘een geaccepteerde vorm van hulp beter is dan meppen’. Daarmee open jij je hart en lukt het jou om altijd te speuren naar het goede in de mens omdat jij er stellig van overtuigd bent dat er ‘in in ieder van ons iets moois zit’.

Jouw drijfveer om te kijken  of ‘jij het verschil kunt maken voor die mensen’ raakt mij. Je drukte mij op het hart dat jij diegene die een verkeerde afslag nam ‘wil helpen bij het prille begin van een weg omhoog’. Wat mij daarin trof is dat je zei ‘op het dieptepunt van mensen wil ik er voor hen zijn’. De tijd nemen voor ze, hen de volle aandacht en het vertrouwen geven dat ik naar ze luister. Dat je hen niet aanspreekt op wie zij zijn, enkel op wat zij deden. Je behoedt mij tijdens ons gesprek trouwens voor een te grote focus op daders en benadrukt dat de medemenselijkheid zoals jij die (be)leeft, wat jou betreft net zo goed geldt voor slachtoffers en nabestaanden die je zo vaak ontmoet. Dat vind ik mooi! Jouw invulling van professionaliteit en aandacht voor de nuance ontroeren mij. Dankjewel Cor voor jouw openhartige verhaal! Een prachtig kado wat ons nu verbindt. En waarmee je ook nog eens mijn blik op de politie hebt verrijkt.

Wat ik je nog wil meegeven is een nieuw woord want ook taal verbindt. Het wordt o.a. door filosoof Jan Bransen gebruikt en ik moet er aan denken bij het schrijven van deze brief. Hij stelt voor dat we van ‘mensen’ een nieuw werkwoord maken. Bij dat woord denk ik aan jou omdat het zoiets betekent als ‘doen al wat menselijk is’.

Liefdevolle groet,
Ton

‘Wat is het moeilijkste dat je ooit hebt gezegd?’ vroeg de jongen. ‘Help’, antwoordde
het paard.

Uit ‘De jongen, de mol, de vos en het paard’ van Charlie Mackesy

Voor wie nieuwsgierig is naar Cor. Hij is nu rechercheur en hulpofficier van justitie cellengang en werkt(e) intensief samen met (wijk)agenten. In de tijd dat hij bij de politie werkt hield hij zich o.a. bezig met veel voorkomende kleine criminaliteit zoals vernielingen, winkel- en fietsdiefstallen, straatroven, woningovervallen, georganiseerde misdaad (wapen- en drugshandel), bezoeken van deurwaarders bij uithuis plaatsingen, doorzoekingen van woningen, moord en doodslag, huiselijk geweld en zelfdoding. In een paar terloopse bijzinnen vertelt Cor dat sommige zaken hem telkens opnieuw persoonlijker raken, ze harder binnenkomen omdat het herinneringen losmaakt aan zijn eigen jeugd. Zelfdoding is wat hem betreft van een andere overtreffende categorie omdat het ons collectief falen als samenleving blootlegt. Dat ondanks al ons ‘mensen’ een noodkreet om hulp niet of onvoldoende gehoord is.