Ik heb een veiligheidshart

Beste veiligheidscollega’s,

 

Ik heb een veiligheidshart, geen politiehart. Al heb ik wel veel met politie en andere veiligheidspartners samengewerkt en ben hen enorm gaan waarderen. Mijn loopbaan is gestart als handhavingsjurist bij gemeenten en als organisatie-adviseur voor overheid en non-profitorganisaties. Sinds 2000 ben ik achtereenvolgens werkzaam geweest als adviseur bij een regionale brandweerorganisatie en een veiligheidsregio, en als manager veiligheid bij de gemeenten Tilburg en Utrecht. Op dit moment werk ik bij Taskforce-RIEC Brabant Zeeland als hoofd Strategie & Innovatie en plaatsvervangend directeur. De laatste acht jaar neemt de aanpak van ondermijnende criminaliteit een prominente plek in mijn werk in. Graag deel ik enkele ervaringen en observaties met jullie.

 

Als ik dit schrijf is Peter R. de Vries net een week overleden aan de gevolgen van de aanslag op zijn leven. De Vries was beslist geen gemakkelijke man. Niet als mens heb ik me laten vertellen, maar zeker ook niet als tegenspeler. Als hij onrecht proefde of zwakkeren vroegen hem om hulp, dan beet hij zich vast als een terrier. En liet pas los als hij zijn doel had bereikt. Die instelling is niet alleen mooi voor de samenleving (denk bijvoorbeeld aan de cold-case zaken, die hij weer tot leven bracht), maar ook bedreigend voor criminelen, die zich onaantastbaar (konden) wanen.

De Vries was een verrijking voor ons rechtssysteem. Hij ging door waar anderen gestopt waren of de oplossing niet meer zagen. Hij kon ook dingen doen die politie en andere overheidspartners niet -zo maar – mogen. Denk aan de verborgen opname van Joran van der G. 

 

Bijzonder eigenlijk, dat die drempel voor overheidsdienaren hoger ligt… wij hebben in de samenwerking tegen criminaliteit en ondermijning last van privacybescherming. Het hindert effectief samenwerken, voedt angst om integraal in te grijpen en per saldo is de criminele de lachende derde. Als ik naar de politie-organisatie kijk, zie ik veel mogelijkheden om ook als ‘blauw’ de informatie nog beter bij elkaar te brengen. Denk alleen maar aan recherche, die zaakgericht werkt en de wijkagent die gebiedsgericht werkt en over straatkennis en historische kennis beschikt.

 

Daar speelt nog wat anders: in de vorige eeuw was ook de menselijke maat nog belangrijk. Jongeren werden ook gezien, en waar nodig gecorrigeerd door de omgeving waarin zij leefden, de gemeenschap waartoe zij behoorden. Opvoeden gebeurde nog meer dan nu op basis van maatschappelijke waarden en normen. De hele wereld komt nu via internet, sociale media en mobiele telefoons letterlijk binnen handbereik van jongeren. Hoe groter de invloed van deze socials, hoe kleiner de rol van ouders in de opvoeding en ontwikkeling (incl gewetensvorming) van kinderen. Zeker puberjeugd, die voor eigen ontwikkeling juist de grenzen van wat mag en kan opzoekt, heeft begrenzing nodig. 

 

En perspectief. Als je niet goed mee kunt in hebt schoolse systeem, lijkt het moeilijk om sociaal heel succesvol te worden. Criminelen spelen daar met speels gemak op in. Ze verleiden kwetsbare jongeren voor hun criminele activiteiten, bieden hen vorstelijke vergoedingen. En zelfs als je in de ‘normale samenleving’ geen top-functie kunt bereiken, kun je succesvol zijn binnen de criminele industrie. Zorgwekkend en ingewikkeld. Hoe bieden we jongeren een perspectief dat minstens zo interessant is als hetgeen bereikt kan worden via het criminele pad?

 

Nog iets wat niet helpt om impact te hebben en focus te houden op het oplossen van het probleem, is de politiek-bestuurlijke dadendrang na een ernstig voorval. Uit een soort behoefte aan bestuurlijke krachtpatserij worden er allerlei nieuwe dingen in gang gezet. Ineens krijgt iedereen beveiliging. Of moeten alle procedures worden herschreven. Of wordt er een nieuw team in het leven geroepen. Killing, die risico-regelreflex. 

De symboliek van de maatregelen wordt belangrijk gevonden, verzonnen door mensen, die er weinig blijk van geven dat ze snappen hoe het in de praktijk werkt. Het effect is daardoor helaas vaak contra-productief. 

 

Als de problemen gemakkelijk waren, hadden we ze al wel opgelost. 

In de afgelopen jaren hebben we moeten vaststellen, dat de maatschappelijke problematiek vaak zo complex is, dat niemand er meer alleen een goed en duurzaam antwoord voor kan vinden. Dus samenwerken is op onderdelen een must!

Dat kost tijd en uithoudingsvermogen.

 

Er is ook durf voor nodig, om andere dingen te proberen, met nieuwe partijen. En om soms gewoon te doen wat nodig is en daarbij de grenzen opzoeken van wat kan.

Durf de vraag te stellen: hoe kan het wel?

 

Heel veel succes en misschien tot de volgende samenwerking!

 

Met vriendelijke groet,

Remco